Geboren:

Zeger Andreas Jonathan Schenkel

15 mei 2010 * 12.38 uur * 3640 gram * Amsterdam

Zaterdag 15 mei. Om 06.15 uur word ik wakker met kramp in mijn buik: “Zijn dit nou voorweeën?” vraag ik me af. Na drie kwartier sms ik toch maar mijn zus, die meteen aan de lijn hangt. “Volgens mij is het begonnen,” zegt ze. Ik besluit eerst contact op te nemen met de verloskundige. Ook zij hangt meteen aan de lijn. “Ik ben er over drie kwartier.” Ook zij vermoedt dat het is begonnen.

Drie kwartier later, mijn broer en zus zijn inmiddels druk bezig om zo snel mogelijk naar me toe te kunnen komen vanuit Groningen, staat de verloskundige voor de deur. Het is 08.15 uur. Ze kijkt mijn weeën aan en hoewel ze het er nog niet zo heftig uit vindt zien, besluit ze voor de zekerheid te toucheren. “Hm,” zegt ze nadenkend, “ik wil nog even voelen hoe het is tijdens een wee.” Na die wee zegt ze droogjes: “Ik ga de kraamzorg maar even bellen. Je hebt al 8 centimeter ontsluiting.” Ik krijg de opdracht een vriendin te laten komen, want er is een kans dat zus en broer er niet op tijd zullen zijn. Gelukkig zijn ze dat wel 🙂

Nog geen drieënhalf uur later, het is 11.30 uur, mag ik persen. En een uur later, om 12.38 uur, wordt mijn prachtzoon Zeger Andreas Jonathan bij me op de borst gelegd. Ik roep ‘Och kereltje, toch!’, waardoor mijn broer en vriendin in de woonkamer meteen weten dat ik aan de wens van nichtjes en neefje heb voldaan: het is een jongen! En ja: hij is echt alles wat ik vooraf voorzichtig durfde hopen, na de gebruikelijke en zeer sterke wens ‘als het maar gezond is’: “Ik hoop dat hij donker haar heeft, en fijne trekken, niet zo’n kaal rond babyhoofd. En van die mollige armpjes en benen.” Precies zo komt mijn ventje te voorschijn: brullend, een koppie met veel, véél donker haar, een fijn neusje, kinnetje, niet teer, niet dik, en met van dat lekkere babyspek op die slanke armen en (lange) benen van ‘m.

De rest van de dag kun je wel raden: een ontroerde oom en vriendin verschijnen aan het bed om hun neef te bewonderen. Oma en andere oom en nichtjes staan sneller dan snel naast het bed met knuffels en een taart met blauwe muisjes. En als de familie twee uur later weer weg is, zijn zus en ik alleen maar bezig met kijken,  zoenen, bewonderen, verschonen (twee volle poepluiers, een fikse plasluier). Zeger is een uitermate tevreden ventje dat me met zijn blauwe oogjes bestudeert als we na het voeden naast elkaar liggen. Als hij al huilt, aai ik hem over zijn wang en is hij weer stil. Intussen blijven zus en ik herhalen: wat een mooi ventje, kijk nou toch, wat een mooi ventje. Totdat we om 07.45 uur vermoeid in slaap vallen. Ons kereltje ligt naast me, zijn handje bij zijn wang.

Om 09.13 uur word ik wakker en zie ik dat het mis is. Zeger ligt levenloos naast me. Ik roep naar mijn zus dat hij zo stil ligt. Zijn mond voelt koud. Ik roep dat hij ‘het niet meer doet’. Als ik hem oppak, is hij helemaal slap. Ik zie de paniek in de ogen van mijn zus als ze roept: “112 bellen, nú!”

Binnen enkele minuten staan er twee politieauto’s, twee ambulances, een brandweerwagen en nog een minuut later een neonatologietraumateam voor de deur. In een overweldigende golf van hyperalerte adrenaline stormen wel 15 mensen mijn huis binnen. Om 09.40 uur ligt Zeger in een ambulance, 5 man zijn er met hem bezig. Ik rij in een ambulance achter hem aan, mijn zus volgt in een politieauto.  Twee agenten begeleiden ons naar een familiekamer waar we thee krijgen die we niet aanraken. Iets later word ik de shock room in begeleid. Het aantal mensen rond zijn bed is niet te tellen; er is simpelweg niet één plek aan zijn bed vrij. Hoewel Zeger een goede kleur heeft, zie ik dat ze hem nog steeds reanimeren.

Na tienen word ik opgehaald door een van de drie artsen. Ze brengt me naar Zeger toe en legt me uit dat ze al een uur aan het reanimeren zijn. Dat het geen zin meer heeft. “Moet ik nu besluiten dat jullie moeten stoppen?” vraag ik. En waarschuw het meisje dat op zijn borstkas blijft pompen: “Ik ben er nog niet aan toe, nog niet stoppen.” Een andere arts zegt iets tegen de eerste. Deze knikt en antwoordt mij: “Nee, dat besluit jij niet, dat besluiten wij nu. Het heeft geen zin meer.” Op dat moment haalt arts twee de zuurstofpomp bij Zegers mond vandaan. Het meisje dat pompt, trekt haar handen terug.

Het is dan 10.18 uur. Mijn zoon is nog geen 24 uur oud geworden.

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *

NB
* Zeger wordt volledig onderzocht, omdat ook het medische team niet begrijpt wat er is gebeurd. Alle mogelijke oorzaken worden tegengesproken door zijn fysieke verschijning, zoals zijn lichaamskleur en gewicht. Over zes à acht weken hoop ik iets te horen.
* Op zaterdag 22 mei hebben we met familie afscheid genomen van Zeger. Niet één vreemde heeft aan hem gezeten; wij hebben hem zelf weggebracht. Zag je in Amsterdam-Oost iets na twaalven tien blauwe ballonnen in de lucht: die tiende stond symbool voor Zeger. Als enige van de tien ballonnen ‘stuiterde’ hij door de lucht en nam hij een omweg dwars door een bomenrij.
* Over vier weken mag ik Zeger weer ophalen, zodat hij bij mij thuis kan blijven.
* Een kaart, smsjes… Ze zijn zeer welkom. Teksten als ‘gecon…’, ‘met oprechte…’, enzovoort: liever niet. Zeg maar waar het op staat: ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen’; ‘Wat kut’; vul maar in. Alsjeblieft geen rouwkaarten, en zeker geen enveloppen met zo’n eng randje. Ik wil graag ‘Een zoon!’-geboortekaarten.
Want ik heb een heel mooie, lieve, tevreden zoon gekregen, op wie ik ongelofelijk trots ben.
* S.v.p. geen onverwacht bezoek.

Vermoedelijk zal ik op een later tijdstip foto’s – en wellicht meer herinneringen – toevoegen aan deze blog.

Zeger is groter gegroeid dan zijn lichaam

Posted in geboorte | 466 Comments